Daar zat deze gergemmer, als een nachtdiscipel mompelend over orgelconcerten en kerkgang
In dit artikel:
De schrijver worstelt met zichzelf voorstellen: dat begon bij een schoolwissel waarbij iedereen al wist waarom het gezin verhuisd was, liep via het gepest worden in de brugklas en het aannemen van humor als schild om onzichtbaarheid en kwetsbaarheid te maskeren, en gaat door in het volwassen leven bij verplichte kennismakingsvormen. In Leiden moest hij als rechtenstudent keurig vertellen wat hij in het weekend had gedaan; later op het werk wordt hij geconfronteerd met hedendaagse, creatieve werkvormen — een ansichtkaart kiezen die je gemoed weergeeft, een object meenemen dat je innerlijk symboliseert, of letterlijk op de plek in de zaal gaan staan waar je je het meest thuis voelt — die een introvert in identiteitscrisis kunnen storten.
Die oefeningen roepen vragen op over waar je ‘thuishoort’: geboorteplaats Gouda, jonge jaren in Rotterdam, nu woonachtig in Apeldoorn, met lokale bewoners die je als buitenstaander zien. Ouderschap levert soms vanzelf gesprekstof op, maar ouder worden beantwoordt de kwestie van zichzelf voorstellen niet eenvoudig; op 37 voelt de auteur aan dat hij genoeg uitgelegd heeft, en toch vraagt de functie van columnist om zich aan lezers voor te stellen.
Dat laatste brengt een spanning naar voren: collega’s waarschuwen ervoor niet te gaan preken — een probleem voor een theoloog die geneigd is met stichtelijke opmerkingen af te sluiten. De schrijver kiest uiteindelijk voor terughoudendheid: geen ingezette moraal, maar het aanbieden van observaties waarin lezers zelf betekenis kunnen vinden. Hij erkent ook dat de kennismaking in een column eenrichtingsverkeer is, maar sluit toch hoffelijk af: aangenaam.