Haar familie terugbrengen bij de moederkerk - dat is Flandrina's grootste wens
In dit artikel:
Flandrina, een dochter van Willem van Oranje en Charlotte de Bourbon, was de uitzondering in haar familie. Als enige van de zes dochters werd ze als kind naar Frankrijk gestuurd, waar ze rooms-katholiek werd opgevoed. Ze was hardhorend en kon gesprekken alleen verstaan met behulp van een zilveren hoorn. Mogelijk speelde haar gezondheid een rol bij haar vertrek, maar zelf zag ze haar leven in het klooster vooral als Gods voorzienigheid en als een roeping.
Haar eerste levensjaren bracht Flandrina protestants opgevoed door in Antwerpen. Van haar vierde tot haar achtste woonde ze in een Frans klooster, waarna haar katholieke tante Jeanne de Bourbon haar onder haar hoede nam. In Poitiers kreeg ze een strenge katholieke opleiding. Tegelijkertijd hielden haar stiefmoeder Louise de Coligny en haar protestantse zussen in de Nederlanden contact met haar. Daardoor groeide Flandrina op tussen twee geloofswerelden en dacht ze al jong intensief na over geloof, kerk en de vraag hoe iemand zijn zaligheid kon bereiken.
Op negenjarige leeftijd deed ze haar eerste communie. Tegen de bezwaren van haar familie in koos ze vervolgens vrijwillig voor het kloosterleven. Op 15 november 1593 legde ze, veertien jaar oud, haar geloften af in het klooster Sainte-Croix in Poitiers. Twee jaar later werd ze priorin. Ze bestreed de luxe en wereldse houding die volgens haar in het klooster waren binnengedrongen en pleitte voor soberheid, strenge kloostertucht en actieve zorg voor anderen. In 1605 werd ze abdis, een verantwoordelijkheid die ze zelf als een zwaar kruis ervoer. Onder haar leiding groeide het aantal nonnen van ongeveer dertig naar negentig.
Flandrina bleef sterk verbonden met haar protestantse zussen, vooral met Brabantine. Ze scheelden maar een jaar, woonden in elkaars omgeving en konden goed met elkaar opschieten. Tegelijkertijd probeerde Flandrina haar zus hartstochtelijk tot het katholicisme te bekeren. Ze bad dagelijks voor haar en liet zelfs haar medezusters veertig uur lang voor haar bekering bidden. Brabantine, die jong weduwe was geworden, bleef echter protestant. Ook haar zus Elisabeth deelde dat geloof. Ondanks de religieuze kloof waren de zussen openhartig tegen elkaar en genoten ze van hun schaarse ontmoetingen. Protestantse familieleden mochten Flandrina in het klooster bovendien alleen achter een hek spreken.
Flandrina hoopte dat de kinderen van Elisabeth en Brabantine bij haar in het klooster zouden komen wonen, zodat ze hen katholiek kon opvoeden. Hun moeders weigerden dat, omdat ze hun kinderen binnen het gereformeerde geloof wilden grootbrengen. Flandrina bleef daarom bidden voor hun latere bekering. De tegenstelling werd scherper naarmate katholieken in Frankrijk terrein wonnen en de positie van de hugenoten verslechterde. Elisabeth en Brabantine zagen met angst hoe hun diplomatieke inspanningen voor vreedzame verhoudingen mislukten en het land afgleed naar opstanden en burgeroorlog.
Tijdens het beleg van La Rochelle, het laatste belangrijke bolwerk van de hugenoten, koos Henri de la Trémoille – de zoon van Brabantine en schoonzoon van Elisabeth – in 1628 officieel voor het katholicisme. Kardinaal Richelieu had met hem over het geloof gesproken; ook eerdere gesprekken met Flandrina speelden een rol. Voor Elisabeth en Brabantine was zijn bekering een grote tragedie, terwijl Flandrina die als een geestelijke overwinning ervoer. Henri stuurde vervolgens zijn oudste zoon naar Flandrina’s klooster om daar katholiek te worden opgevoed. Daarmee kreeg ze eindelijk een achterneefje onder haar zorg, al zou later blijken dat zelfs een intensieve opvoeding niet garandeert dat kinderen dezelfde geloofsweg blijven volgen.
Vandaag Inside: Johan Derksen kritisch op tv-optreden Mona Keijzer: ‘Ik ben fan van haar, maar…’