Handreiking deputaatschap kerkorde en kerkrecht CGK is om koud van te worden

woensdag, 22 april 2026 (08:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Het deputaatschap Kerkorde en Kerkrecht heeft recent een handreiking rondgestuurd die binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) heftige onrust heeft veroorzaakt. De commissie stelt scherp dat onder de geldende kerkorde geen ruimte is voor deputaten of gemeenten die tegelijkertijd loyaliteit aan twee structuren (de CGK en de kring rond Rijnsburg) betuigen. Deputaten die lid zijn van gemeenten die „overgaan” richting Rijnsburg zouden juridisch geen deel meer mogen uitmaken van een deputaatschap; classes moeten volgens hen beslissen over het lidmaatschap van gemeenten, en deputaatschappen zouden „niet‑loyale” leden via gesprekken moeten bewegen zich terug te trekken.

Die juridische nadruk contrasteert met jarenlang gevoerde lijn binnen kerkrechtelijke deputaatschappen, die eerder ruimte en geduld tegenover afwijkende gemeenten propageerden. De handreiking komt juist nu op een moment dat er binnen delen van de CGK wél bereidheid was om gezamenlijkheid — zij het in een A‑ en B‑constructie — financieel en organisatorisch tot 2027 te ondersteunen. Op de particuliere vergadering van 21 maart spraken gemeenten zich uit om deputaatschappen te vragen of zij (deels) gezamenlijke verantwoordelijkheden ook na 2027 willen dragen; de praktijk moest uitwijzen welke deputaatschappen dat haalbaar vonden.

De auteur — kerkhistoricus en voorzitter van het deputaatschap Archieven — keert zich fel tegen de nieuwe toon. Hij vindt de handreiking „koud” en ziet daarin een zuiveringsdrang die de resterende samenhang in de CGK zo goed als kapot kan maken. Praktische bezwaren spelen mee: classes functioneren niet overal, sommige sturen geen volledige afvaardigingen naar synodes, en het is onduidelijk hoe beslissingen over geloofsbrieven, waarnemers en gemeenten met beperkte lastbrieven zouden moeten verlopen. Bovendien roept de maatregel vragen op over financiën en menskracht: wat motiveert gemeenten nog om bijdragen te betalen aan deputaatschappen waarvan zij óf buitengesloten worden óf die werk doen binnen een verkleind verband?

Concreet gevaar volgens de schrijver is dat de nadruk op formeel‑juridische zuiverheid het dagelijkse kerkelijke werk — zoals archiefzorg, rapportage en andere gedelegeerde taken — verlamt. Dat werk is al kwetsbaar door verdeeldheid; een juridiserende aanpak zou kunnen leiden tot een implosie van projecten omdat er onvoldoende middelen en vrijwilligers overblijven. In plaats van juridische instructies vraagt de auteur om constructieve juridische oplossingen die pragmatisch proberen te behouden wat nog te redden valt: juristen en deputaten zouden moeten zoeken naar oplossingen die schade beperken en de voortgang van het kerkelijk werk mogelijk houden.

Kortom: de handreiking van Kerkorde en Kerkrecht verscherpt de spanningen binnen de CGK door strikt juridisch handelen boven praktische samenwerking te stellen. Dat bedreigt niet alleen symbolische eenheid, maar ook de feitelijke voortgang van deputaatschappen, waarvoor al financiële en personele beperkingen bestaan. De oproep van de auteur is duidelijk: minder zuiveringslogica, meer perspectief en constructieve juridische inventiviteit om het resterende gemeenschappelijke werk te bewaren.