Veroordeling Räsänen verontrustend of verklaarbaar? SGP'er Bert-Jan Ruissen: Godsdienstvrijheid onder druk

donderdag, 26 maart 2026 (19:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Het Finse hooggerechtshof heeft donderdag volksvertegenwoordiger Päivi Räsänen een geldboete opgelegd omdat zij in een brochure homoseksualiteit als een „afwijking” bestempelde; de uitspraak raakt de discussie over de grenzen van godsdienst‑ en meningsuitingvrijheid. De veroordeling heeft betrekking op de tekst in de brochure (waarin ook sprake was van een vermeende „stoornis in de psychoseksuele ontwikkeling”) en niet op eerdere tweets van Räsänen met een Bijbeltekst.

Nederlandse reageerders noemen de uitspraak zorgelijk, maar wijzen op juridische grenzen. SGP-Europarlementariër Bert‑Jan Ruissen vreest dat zulke vonnissen de vrijheid van geloofsuiting en meningsvorming onder druk zetten en dat een Europese trend richting strafbaarstelling van «haatzaaien» ook kerken en religieus onderwijs zou kunnen raken. Hij benadrukt tegelijk dat het een nationale Finse beslissing is en geen bindende jurisprudentie voor Nederlandse rechters — al kan het in vergelijkbare zaken in Europa wel als referentie fungeren.

Mr. dr. Teunis van Kooten (advocaat en docent Religie & recht) noemt de uitspraak verontrustend maar wijst erop dat die slechts binnen het Finse recht geldt, tenzij Räsänen de zaak aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) voorlegt; een EHRM‑uitspraak zou wél gevolgen hebben voor alle Raad‑van‑Europa‑lidstaten. Volgens hem toetsen Nederlandse rechters religieuze uitlatingen aan twee hoofdcriteria: ze mogen niet onnodig grievend zijn en de context (waar, in welke hoedanigheid en welk publiek) is bepalend. Daarom kunnen predikanten in de kerk vaak zwaardere uitspraken doen dan politici in openbare folders. Van Kooten merkt ook op dat een framing als «op grond van mijn geloofsovertuiging» juridisch beter kan liggen dan absolute, pathologiserende bewoordingen.

Ook ds. M. Klaassen (hersteld hervormd predikant) waarschuwt tegen het spreken van homoseksualiteit als psychische afwijking: dergelijke bewoordingen roepen snel verzet op en zijn juridisch kwetsbaar. Hij stelt dat de Bijbel homoseksuele praktijk afwijst en dat dit in het publieke debat benoemd kan worden, maar dat nauwkeurige formulering essentieel is om binnen de bescherming van godsdienstvrijheid te blijven.

Samengevat: de zaak Räsänen legt de spanningslijn bloot tussen bescherming tegen belediging/haat en de vrijheid om religieuze opvattingen publiek te uiten. Belangrijke vervolgpunten zijn of de zaak naar het EHRM gaat en hoe Europese wetgeving over haatzaaien de ruimte voor religieuze uitlatingen zal beïnvloeden.