Kerkelijk gesprek rondom de enge poort - ja, maar hoe?
In dit artikel:
Predikant van de Gereformeerde Gemeente te Poederoijen reageert kritisch op het artikel van Mouthaan (RD 18‑4) waarin John Bunyan — en met name De Christenreis — wordt voorgesteld als brug tussen Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGiN). Mouthaan betoogde dat Bunyan kan helpen het gesprek over „aanbod van genade” en Goddelijke beloften te verzachten en de harde tegenstelling tussen een ruime en een bevindelijke theologie te overstijgen. Volgens hem toont Bunyan langs de weg tussen de Stad Verderf en de Enge Poort meerdere aspecten van een ruim aanbod van genade.
De auteur van deze reactie waarschuwt dat die lezing belangrijke elementen van Bijbelse en bunyanniaanse scherpte miskent. Hij wijst erop dat Jezus zelf spreekt van een „enge” poort en dat de Bijbelse klem juist op het moeizame en uitsluitende karakter van de toegang tot zaligheid ligt — velen zullen zoeken en niet kunnen ingaan. Ook stelt hij vraagtekens bij Mouthaans opmerking dat het toevluchtnemen tot Christus in Bunyan identiek zou zijn aan de wedergeboorte: waar schrijft Bunyan dat de wedergeboorte in het Poortje plaatsvindt? De hoofdpersoon wordt al „Christian” genoemd vóór de Enge Poort, waardoor het moment van innerlijke openbaring en het voorafgaande geestelijke proces niet zomaar samenvallen.
Historisch-theologische nuances komen aan de orde: puriteinen leggen vaak de nadruk op Gods trekkende liefde en op voorbereidende bewerkingen, terwijl Nederlandse „oudvaders” (zoals Rutherford en Comrie) volgens de schrijver dieper onderscheid weten te maken tussen nabije en echte bevindingen, en tussen algemene en bijzondere werkingen van de Geest — ter ontdekking én vertroosting. Hij pleit ervoor beide tradities niet tegen elkaar uit te spelen maar te combineren: de Engelse praktijkgerichtheid plus het Nederlandse innerlijk theologiseren.
Belangrijkste aanbeveling is echter om de Dordtse Leerregels (Canons of Dort), met name hoofdstukken 3 en 4, expliciet bij het gesprek te betrekken. Die verwerpen de stelling dat de onwedergeboren mens echt kan hongeren en dorsten naar gerechtigheid zoals de wedergeborene — een onderwerp dat ook tijdens de Synode van Dordt aan de orde was, waarbij Engelse afgevaardigden anders wilden formuleren. De auteur twijfelt of het „op de Engelse lijn” gaan de onderlinge toenadering tussen de kerkverbanden zal bevorderen en drukt zijn bedenkingen uit over het theologische en praktische effect daarvan.