Ds. Zippro: Kerken hadden meer werk moeten maken van „verberg de verdrevenen"

woensdag, 29 april 2026 (10:52) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Het boek Verberg de verdrevenen van G.C. Hovingh (titel ontleend aan Jesaja 16:3) brengt het handelen van Nederlandse predikanten in de jaren 1940–1945 systematisch in kaart: 606 namen van dominees uit vooral de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken worden alfabetisch opgesomd en met bronnen belegd. Hovingh levert een omvangrijk en minutieus gedocumenteerd overzicht van wie op welke wijze Joden hulp bood tijdens de bezetting. Volgens de auteur van het artikel is het werk “monnikenwerk” en het leidde bij de presentatie tot discussie over de verhouding tussen individuele daden en collectieve verantwoordelijkheid.

Cijfers uit het boek geven een verdeling langs kerkelijke lijnen: procentueel zouden gereformeerde predikanten het vaakst hulp hebben geboden (25%), hervormde predikanten vormen een kleiner aandeel (ongeveer 8%). De schrijver, predikant in de Gereformeerde Gemeente van Zoetermeer, zoomt in op zijn eigen kerkverband: van circa 30–35 dienstdoende predikanten in die kring tijdens de oorlog vermeldt Hovingh vijf namen — een aandeel van ongeveer 15 procent.

Enkele genoemde personen krijgen nadere aandacht. Ds. J.B. Bel (Dirksland) trad openlijk tegen de bezetter op en had sterke verzetsconnecties; ds. J. Fraanje (Barneveld) redde bijvoorbeeld een Joodse jongen via onderduik; C. Hegeman was actief in het verzet en vond onderdak in een kerk; ds. R. Kok organiseerde onderduikadressen, sprak in zijn prediking positief over het Joodse volk en kwam in conflict met de invloedrijke ds. G.H. Kersten; ds. A. Verhagen verzette zich tegen deportaties en werd door de Sicherheitspolizei ondervraagd. Als uitzonderlijke reddingsactie wordt ds. L. Overduin genoemd, die volgens het boek meer dan 700 Joden wist te helpen — daarmee steekt hij ver boven de meeste andere gevallen uit. Opmerkelijk is dat ds. J. Overduin (gevangenschap in Dachau) niet in het register voorkomt, terwijl zijn broer wel genoemd wordt.

De auteur prijst individuele moed, maar hekelt dat Hovinghs lijst geen onderscheid maakt tussen heimelijke, beperkte hulp en openbaar verzet of gevangenschap. Daarmee zou de indruk kunnen ontstaan dat alle vermelde predikanten op één morele schaal staan, terwijl sommige daden veel meer risico en principiële verzet inhielden. Ook wordt een pijnlijke casus rond de Veenendaalse school benoemd, die in ander onderzoek ter discussie staat maar toch betreurenswaardig blijft.

Een belangrijk debatpunt bij de boekpresentatie was de relatie tot de in 2020 uitgesproken schuldbelijdenis van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Rector G. Harinck noemde Hovinghs werk een „correctie” op die belijdenis: volgens hem is te weinig aandacht geweest voor predikanten die wél hulp boden. De artikelsschrijver verzet zich tegen deze nuancering: hij pleit voor een collectieve schuldbelijdenis van de kerk als gemeenschap, verwijzend naar het voorbeeld van de profeten en ook naar Nehemia, waar een gezamenlijke bekentenis van schuld en die van de voorouders wordt afgelegd. Persoonlijk concludeert hij dat de kerk tekortgeschoten is, ook al erkent hij dat achteraf oordelen makkelijker is dan handelen in de oorlogssituatie.

De auteur sluit af met de stille erkenning van individuele daden van redding, maar handhaaft dat die voorbeelden geen vrijbrief mogen zijn om af te zien van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en schuldbelijdenis.