Marinus Hofman schrijft een boek over zijn opa, ds. M. Hofman; „Profetische gaven terug te voeren op intensief gebedsleven"

vrijdag, 29 mei 2026 (12:38) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

De Ridderkerker Marinus Hofman jr. erfde uit de nalatenschap van zijn grootvader ds. M. Hofman preekschetsen, losse notities en zo’n 150 (gedeeltelijk ongepubliceerde) brieven. Uit dat materiaal – aangevuld met uitgebreid archiefonderzoek in zijn kleine studeerkamer, de “Opperzaal” – maakte hij een grondige biografie: een onderzoeksdossier van circa 700 A4’tjes werd omgewerkt tot een boek van ruim 300 pagina’s met bijna 1.200 voetnoten. Prof. dr. J. Hoek begeleidde het project en verschillende kerkhistorici hebben meegelesen.

Onder de ontdekkingstukken is een brief uit mei 1944 van de invloedrijke predikant ds. G.H. Kersten aan de predikanten van de Gereformeerde Gemeenten, waarin hij aangeeft toch een predikantenconferentie over leerkwesties te willen bijwonen; onder het exemplaar aan ds. Hofman noteerde Kersten later dat hij naar diens woorden had geluisterd. Dankzij preekdatums in de aantekeningen kon de biograaf bovendien ongeveer 6.000 gehouden preken van zijn grootvader reconstrueren en analyseren.

Ds. M. Hofman wordt in de biografie geportretteerd als een onafhankelijk en bevindelijk prediker: intens in gebed, overtuigd van persoonlijke goddelijke woorden en soms profetisch van toon. Voorbeelden zijn zijn overtuiging direct na de Eerste Wereldoorlog dat er een nieuwe oorlog zou komen waarbij Nederland niet neutraal zou blijven, en andere voorzeggingen die hij toeschreef aan een speciale gevoeligheid voor Gods leiding. Tegelijk was hij fel tegen een “kil, dogmatisch” stramien; hij benadrukte zowel de ernst van zonde als de ruimte voor terugkeer tot God.

De laatste jaren van zijn leven namen spanningen binnen de Gereformeerde Gemeenten toe, wat uiteindelijk mede leidde tot de scheuring van 1953. Hofman had persoonlijke banden met figuren als Kersten, maar bezat weinig sympathie voor hun meer dogmatische opstelling; ook de discussie over de relatie tussen algemene genade en Christus’ verdienste speelde een rol.

De biografie combineert nauwgezet archiefwerk met betrokkenheid van een kleinzoon die zijn grootvader nooit persoonlijk heeft gekend. Hofman jr. noemt ook kritische punten – bijvoorbeeld dat zijn opa zijn preekbeurten boven alles stelde – en levert daarmee een belangrijke bron voor de kerkgeschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten en het beeld van een omstreden, markante predikant.